Pridemaand, de gaypride en ik
Ben je ooit op de botenparade in A’dam geweest? Ik maar één keer: voor een debat waaraan ik uitgenodigd was deel te nemen. Verder heb ik er nooit meer de behoefte toe gevoeld. Net zo min om over de pridemaand of de de botenparade of wat voor feest of carnavals voor de queers te schrijven. Dit ondanks het feit dat ik zelf 20 jaar ‘uit de kast ben’, een late ontdekking rond m’n 43e, 44e.
Met de botenparade in Amsterdam heb ik niets. Wel snap ik het ‘pride’ vieren beter, nu ik 20 jaar meeloop in het queer-gebeuren.
De ‘pride’, de trots op het queer zijn ben ik gaan zien als een óver-benadrukking van eigenwaarde-besef van de queer. Deze over-benadrukking wordt als nodig ervaren, waar de omgeving de queer vroeger áltijd, toen váák, daarna sóms en sinds een paar jaar weer méér probeert af te serveren als ‘ontaard’, ‘verdorven’, ‘vreemd’ of ‘raar’ of ‘gay’ (dat letterlijk ‘vrolijk’) betekent.
Of eufemistisch als ‘anders’. Dan ben je als queer dus een afwijking. Een minderheid.
Niet zoals linkshandigen een minderheid vormen ten opzichte van rechtshandigen: dat betreft een puur fysieke afwijking met maar minimale aanpassingen aan het op rechts-handigen ingerichte leven.
Niet zoals mensen zonder kinderen ten opzichte van mensen met kinderen, soms een keus en soms een je overkomen omstandigheid. Door infertiliteit, een ingreep of anderszins. Ook het geen kind(eren) hebben heeft consequenties voor je levensontwikkeling en -inrichting. Maar het brengt geen een te veroordelen aspect mee, alsof je schuldig bent aan je linkshandigheid of je infertiliteit. Een queer staat door het ‘anders’ zijn al op 0-1 achterstand. Want je zou eens een bedreiging van kinderen kunnen zijn of van het voortbestaan van de mensheid .... of stel dat het besmettelijk is? Of via indoctrinatie overdraagbaar?
Ik heb zelf begrepen, dat hooguit 4 % van de mensheid homoseksueel is, 10 % 'queer' in bredere zin.
Dit is geen zich uitdijend percentage.
Vandaar dat één maand in het jaar en bij de botenparade een dag of week per jaar de eigenwaarde van de queer gevierd en óverbenadrukt wordt: want ook als je queer bent, heb je besef van eigenwaarde (nodig) en ben je van waarde voor de samenleving. Dit wekt toenemende wrevel op bij niet queers. En hoe meer die wrevel, afkeer, dit ongemak of die irritatie geuit wordt, hoe meer queers bevestigd worden in hun idee dat er nog lang niet voldoende inclusiviteit is. Dit lijkt steeds meer een vicieuze cirkel waar niemand uitkomt.
Sowieso zie ik mezelf als queer net als ieder ander, ongeacht huidskleur, geslacht of ras: als een ‘kind van God’, net zozeer naar Gods beeld geschapen als wie ook maar. Intrinsiek van waarde, ongeacht het oordeel van mensen. Want: voor God van goddelijke oorsprong, zoals de psalmen 8 en 139 zingen.
Hoe komt een samenleving of de westerse wereld uit die impasse van de vicieuze cirkel? Die uitweg is niet in zicht.
Dit gezegd hebbend, niets te hebben met de botenparade, met de carnavaleske feestsfeer of met die overbenadrukking van ‘trots’ op je queer-zijn, is het de laatste jaren overduidelijk merkbaar in de Nederlandse samenleving maar ook in andere EU landen en de VS, dat de acceptatie van queers afneemt.
Het NOS journaal meldde, dat de recentste 5 jaar opgebouwde acceptatie in dit jaar 2026 als verloren beschouwd moet worden. Bij de botenparade worden in Amsterdam nu honderden veilige plekken ingericht, waar queers meteen heen kunnen vluchten en aangifte doen, als men lastiggevallen of belaagd wordt tijdens de botenparade. Dit n.a.v. agressie die sterk toegenomen is.
Zelf ben ik in Apeldoorn uit de kast gekomen en was ik daar redelijk veilig. Toch ben ik eens een gebroken neus geslagen, toen ik met vriendin naar ‘de stad’ (het centrum, Apeldoorn is een durp), liep. Aangifte werd niet opgenomen; de dader was bekend bij de politie en werd vanaf dat moment door de wijkagent in de gaten gehouden, werd mij beloofd. Nooit is hij gearresteerd. Of hij een waarschuwing of taakstraf kreeg? Geen idee.
Dan voel je je wel gestraft voor je zo-zijn, kan ik je vertellen. Blaming the victim, wordt dat nu genoemd, geloof ik. Tot zover de Apeldoornse politie. Zucht, ik was dit gedragspatroon al jaren van de Apeldoornse politie gewend. Onaanspreekbaar op verantwoordelijkheid nemen om de wet te handhaven. Veiligheid: ho maar!
Nooit had ik de behoefte naar een echte stad te verhuizen om m’n queer zijn. Naar Amsterdam of Zwolle, want steden zouden veiliger zijn voor queers dan het platteland.
Toch kwam ik via een U bocht constructie toch in een stadje te wonen, Elburg. Ik kreeg, zoals hierboven opgemerkt, van de Apeldoornse politie totaal geen bescherming, ook niet tegen stalking; geen straatverbod tegen een agressieve ex die geen therapie of wat voor professionele hulp wilde. De politie zei rustig: we kunnen niets voor je doen, we adviseren je te verhuizen. Met m’n vriendin verhuisde ik toen naar Elburg.
Het was een stad-‘je’. Toch is Elburg de meest veilige woonplek voor mij geweest sindsdien; samen met een Zeeuws dorpje in de gemeente Middelburg.
Ik had er een geweldige tijd.
Ondanks dat de vriendin een leugenachtig, manipulatief exemplaar bleek waarmee ik moest breken, voor de gezondheid van m’n kinderen en mezelf. Elburg was de veilige haven, die me opving. Later de plek waar ik trouwde met m’n vrouw en we van de predikant van de Gereformeerde kerk een zegen meekregen over ons huwelijk. Daar waren ook gemeenteleden bij. We werden in die kerkelijke gemeente warm onthaald en men vond het jammer dat we moesten verhuizen om werk.
Het platteland bleek een veilige plek, veiliger dan de grote steden, gezien de nu voor de botenparade ingerichte veilige plekken in Amsterdam.
Toch keert het tij van de acceptatie op landelijk en politiek niveau. Ik zie het in kleine dingen: dat je je minder openlijk op het dorp waar we nu wonen, als getrouwd stel laat zien. De sfeer is namelijk nu overal: ‘best als je zo bent, maar laat ik er niets van zien of merken’.
In de kerken is de acceptatie wel aan het toenemen: dit omdat de kerk altijd een generatie achterloopt. Dat het tij in de samenleving gekeerd is, blijkt ook aan de behandeling van vluchtelingen. De queer-vluchteling is helemaal het putje van al de bedenkbare ellende: opgejaagd en onveilig in land van herkomst is deze in Nederland binnen AZC’s niet veilig en wordt nogal eens misbruikt als zondebok voor opgekropte frustratie, prettig om op die kwetsbare eenling af te kunnen reageren .. en dan is de IND nog eens heel terughoudend om iemands andere geaardheid te erkennen. Want ja, zichtbaar is het aan de buitenkant niet zo, zeker bij een Afrikaan niet. Hoe bewijs je anders geaard te zijn?
Handhavers in AZC’s blijken gewoon zonder ingrijpen toe te kijken, als queer vluchtelingen afgetuigd worden. Ruim 10, soms 15 queer vluchtelingen per jaar benemen zichzelf het leven, uit uitzichtloosheid.
Queer zijn is allereerst, uit eigen ervaring, een zelfbesef: ik wist nooit van welke planeet ik was. Mannen kwamen van Mars en vrouwen van Venus. Maar ik? Ik was een alien. Ik wist nooit, bij ik hoorde. Was ik obsessief bevriend met een vriendin, dan had ik het nakijken als zij met een man verder ging. Gingen we een avondje uit met een groepje, dan was ik degene die er verloren bij liep: want ja, wat moest ik, op wie moest ik me richten? Nu gaan jongeren uit in queer uitgaansgelegenheden. In mijn tijd was lang niet overal een COC-café. Hoe moest je daar komen, zonder iemand die queer was, die je meenam of een vriend(in) of als je niet in contact met jezelf was en in heteroverbanden leefde?
Ik had in m’n single studententijd vrienden genoeg; ik leidde een gezellig studenten-bestaan, zonder al te veel te studeren ,en zorgde voor genoeg lol in m’n bestaan. Ik ging graag met vrienden op vakantie, maakte graag met anderen muziek, ondernam en reisde wat af, deed campingrecreatiewerk en werd reisleider van jongerenreizen.
Ik zag daardoor meer van de wereld; ik logeerde bij geëmigreerde ooms (en tantes) in Engeland en Frankrijk, soms in een kraakpand en leerde zo andere manieren van leven kennen dan het brave en veilige gezinsleven dat ik vanuit m’n jeugd kende. De studententijd was een vrije ruimte om rond te kijken en mezelf te verkennen.
Maar m’n queer-zijn verkende ik als student niet, net zo min als in mijn puberteit.
Ik kende simpelweg geen queers, niet van dichtbij of als lesbo-rolmodellen. Van homo’s in de muziek als Freddie Mercury moest ik niet veel hebben. Niet om de muziek: ik ben giga Queen-fan geweest in hun vroege jaren, draaide de eerste 5 albums grijs. Maar daarna wekte de extravagantie van Mercury m’n weerzin op.
Ik wilde toch onbewust zelf het liefst een monogame liefdesrelatie met een huisje-boompje-beestje leefpatroon, of ik dat nu in Nederland of ergens in het buitenland zou leiden. Dat ‘gewone’ was er toen nog niet zo voor de queers, ik kende geen enkel stel althans.
Kende ik een queer, dan was het een ‘stakker’ (een bevende, trillende single die via m’n vader bij ons thuis wel eens meeat) of een eenzame weirdo.
Ik kende geen getrouwde, steady en monogame queers met een creatief vormgegeven leven.
Toen ik uiteindelijk met 43, 44 jaar met m’n eigen queer-zijn moest dealen, daar niet meer onderuit kon, accepteerde ik mezelf in een ommezwaai: het was niet anders. Mezelf accepteren was ‘thuiskomen’ bij mezelf; het werkte genezend om naar mezelf te erkennen: zo ben je! Het was alsof ik in een hal met dominostenen stond, waarbij het ene steentje het andere aantikte en alle stenen in een prachtig patroon vielen!
Daarna ontstond ook het verlangen naar zo’n steady, monogame relatie. Niets anders zou voor mij werken.
Maar ik had tijdens m’n puberteit en adolescentie nooit ‘gepuberd’ in het ontdekken van mijn lesbisch zijn, nooit gelegenheid gehad mezelf en de wereld te verkennen. Geen rumsprunge zoals de Amish nog kennen. Ik kende alleen de kerkelijke heterowereld, mijn hippie ooms en het studentencircuit met haar politieke en (meestal wat linkse) maatschappelijk geëngageerde bevlogenheid. De generatiekloof tierde nog volop en het was ‘wij de jongere generatie die het wel wisten’ tegenover de oudere, gearriveerde, behoudende generatie, de wederopbouwgeneratie die we nu de baby boomers noemen. Wij, de jongeren van toen, waren op zoek naar een socialistische samenleving met een basisloon voor ieder, met eco, afbreekbare en Fairtrade spullen. Recyclen was onder ons allang de mode.
Maar niemand om mij heen was bezig met een andere geaardheid, in die jaren. Dus trouwde ik tóch met een man, had voor het oog van de buitenwereld ‘een alternatief huwelijk’ zoals zo veel studentenstellen, kreeg 3 kinderen van wie ik enorm veel hield en eindigde gewoon zoals zoveel huismoeders: met vooral heel veel tijd en energie te stoppen in m’n gezin.
Ik moest sneller dan ik hoopte gaan werken, omdat mijn toen al instabiele echtgenoot geen fulltime baan meer aan kon. Op zich natuurlijk helemaal ok; maar ik moest mijn kinderen vanaf dat moment wel overlaten aan hun onverantwoordelijke vader met zijn oncontroleerbare stemmingswisselingen en agressieve buien.
Dit besef bracht mij in een enorme spagaat waar ik al mijn werkzame jaren in m’n huwelijk onder leed. Het werken zelf zat mij mee: ik had gelukkig wel een eerste graads onderwijsbevoegdheid en een HBO diploma én kon zo in de omroepwereld in Hilversum aan de slag. Ik was al wat uren in het onderwijs werkzaam en bleef dat ook naast mijn baan in H’sum volhouden. Ik had voor het uitkiezen voor hoeveel dagen in de week en kon nog onderhandelen over het salaris ook!
Aan het werk in loondienst in de publieke omroep dus! Een enorme boost voor deze moeder! Want ja, als thuismoeder met 3 kinderen en een psychisch zieker wordende, niet meer echt ‘genoot’ (want hij hield er een compleet dubbelleven op na), was ik toch wel verwaarloosd; m’n besef van eigenwaarde was nogal aan het kelderen en ik was anders verder diep depressief geraakt na de geboorte van mijn derde. Dat stopte toen ik aan het werk ging en al snel binnen de omroepwereld in functie klom, intern opgeleid bleef worden tot ik programmamaker TV en radio was. Ik had plezier in m’n werk en genoot van de collegialiteit, de dagelijkse flow. Van goed resultaat boeken en van het creatieve van mijn werk!
Wel hield ik het op 3 dagen per week werken, want als je kinderen hebt, komen de kinderen allereerst en vooral, vond ik. Dan werkte ik tot 14.30, zorgde dat ik naar huis spurtte vóór de school uitging en ging ’s avonds 19.00 als ze in hun bedjes lagen, verder met werken. Zo breidde ik m’n leven rond zorg voor mijn kinderen en mezelf allereerst rond. In feite was ik sinds m’n derde geboren was en ik aan het werk ging, ‘alleenstaande moeder, al was ik toen nog niet gescheiden. Dit bleef ik uiteindelijk 20 jaar. Waarvan 7 binnen m'n huwelijk.
Tot een vriendin en ik verliefd op elkaar werden. Ik was op en uitgeput door verwaarloosd worden binnen m’n huwelijk, door alleen maar ‘geven’. Dus werd ik vatbaar voor de aandacht van een ander.
Zou ik blijven of weggaan? Niet zonder m’n kinderen! Die moest ik allereerst veilig houden. Ik knokte wat af met mezelf, maar vond om diverse redenen dat ik niet met deze vriendin een leven kon opbouwen. Allereerst moest ik nu scheiden en een eigen leven met mijn kinderen zien op te bouwen.
Mijn werk bleef de stabiele factor, in alle chaos; samen met mijn familie en vriendin die me hielpen. Veel steun had ik aan m’n geloof in God.
Ik vond vooral, dat ik als ik gescheiden was uit de kast moest komen, daarover kort en goed oprecht zijn en m’n leven daarmee inrichten. Eng en spannend … maar nodig!
Hóe ik mijn leven in kon richten, was me toen nog een raadsel; die puzzel moest nog gelegd worden. Maar dat ik een eind aan dubbelheden en onoprechtheid wilde, was m’n nummer 1 drive. Ik hield, 43 jaar oud, grote schoonmaak in mijn leven.
Toen ik in de scheiding van mijn niet meer ‘echt’-genoot belandde, bleek dit een moeras van ondoordringbare, smerige, stinkende rottigheid: mijn ex raakte in een persoonlijkheidscrisis zonder weerga, geen huisarts, maatschappelijk werk of politie kreeg vat op hem. De hulpverlening wilde hij niet in. Niemand kon hem bijsturen.
Ik werd een ruim jaar geconfronteerd met vernielzucht, laster, inbraken, agressiviteit, stalking en niet alleen ik: m’n familie of vrienden. Meldingen bij de politie haalden 0,0 uit. Stalken en agressie konden vrijwel eindeloos straffeloos. Nu, 20 jaar later, is de maatschappelijke urgentie van ‘femicide’ eindelijk bespreekbaar en is agressie tegen vrouwen van ‘echt’genoten en exen strafbaar. Toen niet. Sterker nog: de politie zei: ‘mevrouwtje (NB het denigrerende toontje), dit komt er nu eenmaal mee, als u wilt scheiden.’ Ofwel: dit is all-in-the-game: u wilt scheiden, dan zult u lijden! Blaming the victim …
Verhuizen bleek de enige optie om ons te beveiligen en een leven met mijn kinderen op te kunnen bouwen. Het was erg genoeg, dat de rechter toch een bezoekregeling oplegde. 20 jaar later begreep ik bij een evaluatief bezoek aan de politie, dat in geval van een ouder met zo’n ernstig persoonlijkheidsstoornis (dat vastgesteld was bij de GGZ) een bezoekregeling voor kinderen nu niet meer wordt opgelegd. Helaas in 2006 nog wel. En werd me verteld dat stalken nu strafbaar is.
Het eind was nog niet in zicht: de hulpverlening die ik voor mijn kinderen inschakelde, was van mening dat ik als verzorgende ouder m’n zoon maar in een RIWIS woonvorm moest laten wonen. Men zette me onder druk, dat hij daar gediagnosticeerd moest worden en anders .. de suggestie hem te verliezen, maakte dat ik mee moest werken van mezelf, tégen m’n gevoel in. Ik vond hem te jong om het huis uit te gaan, nog geen 17. En ik was er niet aan toe om zónder hem te verhuizen uit Apeldoorn. Maar zoals er zoveel moest (vriendin loslaten, scheiden en m’n huwelijk daarmee loslaten, mijn gezin opbreken, het huis verkopen en verhuizen) moest ik ook nog eens m’n zoon uit huis laten gaan. Uiteindelijk kwam de diagnose die de hulpverlener vermoedde .. niet. Maar toen was m'n zoon daar al gewend en had hij er z'n draai, al veel geleerd. Ook nog m'n zoon te moeten overlaten aan hulpverlening was te veel voor mij, deed voor mij de deur dicht. Het waren te veel verliezen die ik moest tellen. Mensen denken bij rouw aan overleden geliefden. Ik ken alleen rouw om levende mensen, die ik gedwongen los moest laten. Maar het verdriet en de rouw is er niet minder om.
Ik heb het psychisch en geestelijk op zich overleefd; het was teveel in te korte tijd. Waar ik niet meer mee kon dealen, was nóg een partner, die me bedroog, beloog en bestal.
Toen ik eenmaal met mijn dochters in Elburg gesettled was en met deze vriendin gebroken had, brak er eindelijk, 3 jaar na de scheiding, een goede tijd aan, van rust en meer stabiliteit, van plezier in m’n queer vrienden- groep en van goede contacten in Elburg, van spelen in een leuke Klezmerband met optredens, zelfs voor toen nog prinses Maxima! De rust deed goed.
Er kwam meer plezier met mijn kinderen tijdens leuke vakanties. Uitjes en vakanties was ik blijven organiseren. Maar je geniet er meer van in de rust. Mijn dochters bouwden eigen vriendschappen in Elburg op, gingen er natuurlijk naar school, sport, clubs en kregen er een stageadres of een weekendbaantje. Uiteindelijk ontmoette ik er m’n vrouw met wie ik nu alweer 15 jaar getrouwd ben.
Zonder pride, als óver benadrukking van mijn besef van eigenwaarde; wél met vrede met mezelf, met ons leven en met veel opgedane wijsheid. Dat mag ook wel na zo’n leven! Ik heb in m’n werk een switch doorgezet, via een tweede master: ik ging de omroepwereld uit en de theologie-wereld (weer) in. Een master in Kampen gaf me de sleutel tot het predikantschap. De zelfde studie had ik al gevolgd in m’n eerste studententijd, in de eighties, toen nog in ‘twee fasenstructuur’: met je kandidaats was je studie afgerond, en kon je je specialiseren in de tweede fase, het doctoraalprogramma. Met deze tweede master maakte ik daarmee m’n eigen cirkel rond.
Niet alles is queer, anders.
Niet alles werd ook ‘happily ever after’, want ons huwelijk op de bruiloft met een zegen van God was binnen families omstreden en door amper familie bijgewoond. Maar m’n kinderen en ouders waren erbij en die telden voor mij het meest!
Alle broers en zussen ontbraken; gelukkig was er wel een neef bij. Vrienden en vriendinnen van mijn kinderen deelden in de feestvreugde: voor ons een prachtige, kleurrijke zomerdag met de generaties om ons heen: oud en jong! And we in the middle.
Toen we ons 12 ½ jarig huwelijksjubileum vierden, was de meeste familie er gelukkig wel bij en vele oude en nieuwe vrienden! Deze tijd had familie vooral nodig om ‘te voelen dat wij een steady, monogaam leven leidden’, net als zijzelf.
Deze lange uitweiding over mijn levensloop vind ik nodig om deze reden: vele queers van mijn leeftijd hebben de omweg van de complicatie van een heterohuwelijk met breuk of echtscheiding achter de rug, tellen vele verliezen en rouwen.
Dáárom is en blijft bespreekbaarheid van queer zijn nodig, zichtbaar maken van de gevolgen van 'jezelf moeten verstoppen'. Vooral jongeren hebben rolmodellen, voorbeelden en bevestiging nodig. De omwegen naar jezelf mogen zijn en een stabiel leven te mogen opbouwen met jezelf, een partner en God en schade voor kinderen, exen en jezelf kúnnen door goede coaching, bevestiging en openlijk bespreken vermeden worden.
‘Het is niet goed dat de mens alleen is’, zegt God in Genesis en geeft Adam een partner. Er zijn niet veel tickets op geluk in een mensenleven .. pak dus je ticket als je er klaar voor bent, mis de boot naar jezelf en de ander én naar God niet! Zo wordt veel narigheid bespaard.
In mijn werk als predikant heb ik geen tegenwerking om m’n queer zijn ondervonden. Natuurlijk zagen niet alle naar een predikant zoekende gemeenten een lesbienne zitten, bleek wel in mijn sollicitatietijd. Dan zocht ik vasthoudend door naar een gemeente, waar men dit totaal geen probleem vond.
Toen ik bevestigd werd in 2014, vroeg ik een (hetero)vriendin of ze ambassadeur wilde worden voor alle queers die willen weten of ze veilig in een kerk zijn. Dit wilde zij wel en zo ontstond ‘Wijdekerk’! Elke gemeente waar ik predikant werd, werd op de kaart gezet van ‘Wijdekerk’. Het aantal gemeenten dat sowieso op die kaart ‘uit de kast kwam’, groeide explosief in de laatste 12 jaren! Prachtig om mee te maken!
Zo ben ik nu at ease met mezelf na al die jaren. Heeft niemand er problemen meer mee in m’n omgeving? Ja, in onze beide, grote families is er precies, welgeteld één broer die het afkeurt en geen uitnodigingen wenst te ontvangen voor huwelijken, bevestigingen als predikant en niet erover wenst te spreken. Geen gesprek dus en geen echte ontmoeting. Dat doet nog steeds pijn. Dat zal nooit anders dan pijnlijk blijven. Maar het maakt mij totaal niet van de kook of aan het twijfelen, of ik wel zo mag leven. Ik betreur de queers die in zulke families met afwijzing opgroeien en die zelfs suïcidaal kunnen raken.
Maar ik? Ik ben die ik ben, zoals ik geschapen ben, heb mezelf in Gods liefde kleurrijk hervonden, mezelf omarmd en ben bij God en mezelf Thuis en thuisgekomen! Ik heb het als een genezing ervaren om in contact met mezelf te kunnen leven onder de zegen en bescherming van God, mijn Oorsprong en Bron.
Dat niet ieder een lesbienne ziet zitten als predikant, zus of misschien zelfs als moeder, is niet mijn probleem. Wel in de zin dat ik lijd onder de gevolgen van geen of minder hartscontact: heel pijnlijk bij tijden … maar niet omdat het míjn probleem is. Ik laat dat nadrukkelijk bij de ander.
Wel heb ik alle begrip, dat het voor mijn kinderen ingewikkeld is om een lesbische moeder te hebben in plaats van een hetero-moeder. Ik ben meer een ‘ouder tussen moeder en vader in'. Natuurlijk, ik heb mijn kinderen gedragen, zelfs 42 weken, gebaard en rond een jaar de borst gegeven, hen verzorgd, hen voorgelezen, opgelet of ze extra hulp nodig hadden bij school, in het sociale leven of hun persoonlijke ontwikkeling en gastvrij naar vriendjes en vriendinnetjes geweest. Ieder mocht altijd mee eten, blijven logeren. Ik heb alles gedaan in m’n vermogen om hen bij te staan en verzorgen in hun opgroeien.
Maar leren breien en koken kon ik hen niet goed; ik heb hen wel leren kamperen en met hen naar musea, culturele events geweest, hen muziek en films leren waarderen en bespreken. Ik heb het op mijn manier gedaan, als lesbische moeder. I did it my way!
Dat ook de scheiding en coming out, de zoektocht naar een steady en monogaam leven als lesbienne hen beïnvloed en pijnlijk geraakt heeft in hun ontwikkeling, beïnvloed heeft in een stabiel zelfbeeld vormen, is me glashelder en is alhoewel pijnlijk en lastig te aanvaarden, iets dat hopelijk ooit voor hen ook op z’n plek valt, op de plek die het nu eenmaal ooit moet krijgen, willen we allemaal doorgroeien in voluit leven en aanvaarden, wat het leven op ons bord gooit.
Ik ben aan mezelf tijd en energie kwijt geweest tijdens hun puberteit, die ik achteraf 100 keer liever in mijn eigen puberteit aan mezelf had besteed: zodat ik als moeder van pubers alle ruimte had gehad hen goed bij te staan.
20 jaar alleenstaande moeder zijn gaat je echter niet in je kouwe kleren zitten. Mijn kinderen zijn in het gedrang geraakt, net als ik. Wij moeten het ermee doen. Jarenlang waren we de ‘vier musketiers’: één voor allen, allen voor één, hecht en open naar elkaar. Nu staan ze voor hun opdracht hun eigen pad, apart van ‘het systeem’ te vinden.
Heb ik zin om naar een botenparade in Amsterdam te gaan? Nee. Geen tijd ook. Wel in op een regenboogvlag met kinderen knutselen en muziek maken! Dát vind ik nu zinvolle tijdsbesteding.
Heb ik zin in naar een safe haven te moeten rennen? Nou neu .. I
Ik hou maar gewoon m’n gemak en vakantie in de Weerribben, lekker genietend van water, mooi weer, kamperen, kanoën, zwemmen, varen en fietsen!
Goed leven en mijn levenstijd zinvol besteden …



.jpeg)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten