vrijdag 17 juli 2026

                                   Pridemaand, de gaypride en ik


Ben je ooit op de botenparade in A’dam geweest? Ik ben maar één keer tijdens die week in Amsterdam geweest: voor een debat waaraan ik uitgenodigd was deel te nemen. Verder heb ik er nooit meer de behoefte toe gevoeld en de botenparade zelf heb ik gemist. Nooit gezien. Net zo min heb ik behoefte te schrijven om over de pridemaand of de de botenparade of over wat voor feest of carnaval voor de queers ook maar. Dit ondanks het feit dat ik zelf 20 jaar ‘uit de kast ben’, een late ontdekking rond m’n 43e, 44e. 

Met de botenparade in Amsterdam heb ik niets. Wel snap ik het ‘pride’ vieren beter, nu ik 20 jaar meeloop in het queer-gebeuren. 

De ‘pride’, de trots op het queer zijn ben ik gaan zien als een óver-benadrukking van eigenwaarde-besef van de queer. Deze over-benadrukking wordt als nodig ervaren, waar de omgeving de queer vroeger áltijd, toen váák, daarna sóms en sinds een paar jaar weer méér probeert af te serveren als ‘ontaard’, ‘verdorven’, ‘vreemd’ of ‘raar’ of ‘gay’ (dat letterlijk ‘vrolijk’) betekent. 

Of eufemistisch als ‘anders’. Dan ben je als queer dus een afwijking. Een minderheid. 

Niet zoals linkshandigen een minderheid vormen ten opzichte van rechtshandigen: dat betreft een puur fysieke afwijking met maar minimale aanpassingen aan het op rechts-handigen ingerichte leven. 

Niet zoals mensen zonder kinderen ten opzichte van mensen met kinderen, soms een keus en soms een je overkomen omstandigheid. Door infertiliteit, een ingreep of anderszins. Ook het geen kind(eren) hebben heeft consequenties voor je levensontwikkeling en -inrichting. Maar het brengt geen een te veroordelen aspect mee, alsof je schuldig bent aan je linkshandigheid of je infertiliteit. Een queer staat door het ‘anders’ zijn al op 0-1 achterstand. Want je zou eens een bedreiging voor kinderen kunnen zijn of voor het voortbestaan van de mensheid .... of stel dat het besmettelijk is? Of via indoctrinatie overdraagbaar?

Ik heb zelf begrepen, dat hooguit 4 % van de mensheid homoseksueel is, 10 % 'queer' in bredere zin.
Dit is geen zich uitdijend percentage.

Vandaar dat één maand in het jaar en bij de botenparade een dag of week per jaar de eigenwaarde van de queer gevierd en óverbenadrukt wordt: want ook als je queer bent, heb je besef van eigenwaarde (nodig) en ben je van waarde voor de samenleving. Dit wekt toenemende wrevel op bij niet queers. En hoe meer die wrevel, afkeer, dit ongemak of die irritatie geuit wordt, hoe meer queers bevestigd worden in hun idee dat er nog lang niet voldoende inclusiviteit is. Dit lijkt steeds meer een vicieuze cirkel waar niemand uitkomt. 

Sowieso zie ik mezelf als queer net als ieder ander, ongeacht huidskleur, geslacht of ras: als een ‘kind van God’, net zozeer naar Gods beeld geschapen als wie ook maar. Intrinsiek van waarde, ongeacht het oordeel van mensen. Want: voor God van goddelijke oorsprong, zoals de psalmen 8 en 139 zingen.

Hoe komt een samenleving of de westerse wereld uit die impasse van de vicieuze cirkel? Die uitweg is niet in zicht.

Dit gezegd hebbend, niets te hebben met de botenparade, met de carnavaleske feestsfeer of met die overbenadrukking van ‘trots’ op je queer-zijn, is het de laatste jaren overduidelijk merkbaar in de Nederlandse samenleving maar ook in andere EU landen en de VS, dat de acceptatie van queers afneemt. 

Het NOS journaal meldde, dat de recentste 5 jaar opgebouwde acceptatie in dit jaar 2026 als verloren beschouwd moet worden. Bij de botenparade worden in Amsterdam nu honderden veilige plekken ingericht, waar queers meteen heen kunnen vluchten en aangifte doen, als men lastiggevallen of belaagd wordt tijdens de botenparade. Dit n.a.v. agressie die sterk toegenomen is. 

Zelf ben ik in Apeldoorn uit de kast gekomen en was ik daar redelijk veilig. Toch ben ik eens een gebroken neus geslagen, toen ik met vriendin naar ‘de stad’ (het centrum, Apeldoorn is een durp), liep. Aangifte werd niet opgenomen; de dader was bekend bij de politie en werd vanaf dat moment door de wijkagent in de gaten gehouden, werd mij beloofd. Nooit is hij gearresteerd. Of hij een waarschuwing of taakstraf kreeg? Geen idee. 

Dan voel je je wel gestraft voor je zo-zijn, kan ik je vertellen. Blaming the victim, wordt dat nu genoemd, geloof ik. Tot zover de Apeldoornse politie. Zucht, ik was dit gedragspatroon al jaren van de Apeldoornse politie gewend. Onaanspreekbaar op verantwoordelijkheid nemen om de wet te handhaven. Veiligheid: ho maar!

Nooit had ik de behoefte naar een echte stad te verhuizen om m’n queer zijn. Naar Amsterdam of Zwolle, want steden zouden veiliger zijn voor queers dan het platteland.

Toch kwam ik via een U bocht constructie toch in een stadje te wonen, Elburg. Ik kreeg, zoals hierboven opgemerkt, van de Apeldoornse politie totaal geen bescherming, ook niet tegen stalking; geen straatverbod tegen een agressieve ex die geen therapie of wat voor professionele hulp wilde. De politie zei rustig: we kunnen niets voor je doen, we adviseren je te verhuizen. Met m’n vriendin verhuisde ik toen naar Elburg. 

Het was een stad-‘je’. Toch is Elburg de meest veilige woonplek voor mij geweest sindsdien; samen met een Zeeuws dorpje in de gemeente Middelburg.

Ik had er een geweldige tijd.

Ondanks dat de vriendin een leugenachtig, manipulatief exemplaar bleek waarmee ik moest breken, voor de gezondheid van m’n kinderen en mezelf. Elburg was de veilige haven, die me opving. Later de plek waar ik trouwde met m’n vrouw en we van de predikant van de Gereformeerde kerk een zegen meekregen over ons huwelijk. Daar waren ook gemeenteleden bij.  We werden in die kerkelijke gemeente warm onthaald en men vond het jammer dat we moesten verhuizen om werk.

Het platteland bleek een veilige plek, veiliger dan de grote steden, gezien de nu voor de botenparade ingerichte veilige plekken in Amsterdam.

Toch keert het tij van de acceptatie op landelijk en politiek niveau. Ik zie het in kleine dingen: dat je je minder openlijk op het dorp waar we nu wonen, als getrouwd stel laat zien. De sfeer is namelijk nu overal: ‘best als je zo bent, maar laat ik er niets van zien of merken’. 

In de kerken is de acceptatie wel aan het toenemen: dit omdat de kerk altijd een generatie achterloopt. Dat het tij in de samenleving gekeerd is, blijkt ook aan de behandeling van vluchtelingen. De queer-vluchteling is helemaal het putje van al de bedenkbare ellende: opgejaagd en onveilig in land van herkomst is deze in Nederland binnen AZC’s niet veilig en wordt nogal eens misbruikt als zondebok voor opgekropte frustratie, prettig om op die kwetsbare eenling af te kunnen reageren .. en dan is de IND nog eens heel terughoudend om iemands andere geaardheid te erkennen. Want ja, zichtbaar is het aan de buitenkant niet zo, zeker bij een Afrikaan niet. Hoe bewijs je anders geaard te zijn?

Handhavers in AZC’s blijken gewoon zonder ingrijpen toe te kijken, als queer vluchtelingen afgetuigd worden. Ruim 10, soms 15 queer vluchtelingen per jaar benemen zichzelf het leven, uit uitzichtloosheid.

Queer zijn is allereerst, uit eigen ervaring, een zelfbesef: ik wist nooit van welke planeet ik was. Mannen kwamen van Mars en vrouwen van Venus. Maar ik? Ik was een alien. Ik wist nooit, bij ik hoorde. Was ik obsessief bevriend met een vriendin, dan had ik het nakijken als zij met een man verder ging. Gingen we een avondje uit met een groepje, dan was ik degene die er verloren bij liep: want ja, wat moest ik, op wie moest ik me richten? Nu gaan jongeren uit in queer uitgaansgelegenheden. In mijn tijd was lang niet overal een COC-café. Hoe moest je daar komen, zonder iemand die queer was, die je meenam of een vriend(in) of als je niet in contact met jezelf was en in heteroverbanden leefde?

Ik had in m’n single studententijd vrienden genoeg; ik leidde een gezellig studenten-bestaan, zonder al te veel te studeren en zorgde voor genoeg lol in m’n bestaan. Ik ging graag met vrienden op vakantie, maakte graag met anderen muziek, ondernam en reisde wat af, deed campingrecreatiewerk en werd reisleider van jongerenreizen.

Ik zag daardoor genoeg van de wereld; ik logeerde bij geëmigreerde ooms (en tantes) in Engeland en Frankrijk, soms in een kraakpand en leerde zo andere manieren van leven kennen dan het brave en veilige gezinsleven dat ik vanuit m’n jeugd kende. De studententijd was een vrije ruimte om rond te kijken en mezelf te verkennen. 

Maar m’n queer-zijn verkende ik als student niet, net zo min als in mijn puberteit. 

Ik kende simpelweg geen queers, niet van dichtbij of als lesbo-rolmodellen.  Van homo’s in de muziek als Freddie Mercury moest ik niet veel hebben. Niet om de muziek: ik ben giga Queen-fan geweest in hun vroege jaren,  draaide de eerste 5 albums grijs. Maar daarna wekte de extravagantie van Mercury m’n weerzin op. 

Ik wilde toch onbewust zelf het liefst een monogame liefdesrelatie met een huisje-boompje-beestje leefpatroon, of ik dat nu in Nederland of ergens in het buitenland zou leiden. Dat ‘gewone’ was er toen nog niet zo voor de queers, ik kende geen enkel stel althans. 

Kende ik een queer, dan was het een ‘stakker’ (een bevende, trillende single die via m’n vader bij ons thuis wel eens meeat) of een eenzame weirdo. 

Ik kende geen getrouwde, steady en monogame queers met een creatief vormgegeven leven.

Toen ik uiteindelijk met 43, 44 jaar met m’n eigen queer-zijn moest dealen, daar niet meer onderuit kon, accepteerde ik mezelf in een ommezwaai: het was niet anders. Mezelf accepteren was ‘thuiskomen’ bij mezelf; het werkte genezend om naar mezelf te erkennen: zo ben je! Het was alsof ik in een hal met dominostenen stond, waarbij het ene steentje het andere aantikte en alle stenen in een prachtig patroon vielen! 

Daarna ontstond ook het verlangen naar zo’n steady, monogame relatie. Niets anders zou voor mij werken. 

Maar ik had tijdens m’n puberteit en adolescentie nooit ‘gepuberd’ in het ontdekken van mijn lesbisch zijn, nooit gelegenheid gehad mezelf te verkennen. Geen rumsprunge zoals de Amish nog kennen. Ik kende alleen de kerkelijke heterowereld, mijn  hippie ooms en het studentencircuit met haar politieke en (meestal wat linkse) maatschappelijk geëngageerde bevlogenheid. De generatiekloof tierde nog volop en het was ‘wij de jongere generatie die het wel wisten’ tegenover de oudere, gearriveerde, behoudende generatie, de wederopbouwgeneratie die we nu de baby boomers noemen. Wij, de jongeren van toen, waren op zoek naar een socialistische samenleving met een basisloon voor ieder, met eco, afbreekbare en Fairtrade spullen. Recyclen was onder ons allang de mode.

Maar niemand om mij heen was bezig met een andere geaardheid, in die jaren. Dus trouwde ik tóch met een man, had voor het oog van de buitenwereld ‘een alternatief huwelijk’ zoals zo veel studentenstellen, kreeg 3 kinderen van wie ik enorm veel hield en eindigde gewoon zoals zoveel huismoeders: met vooral heel veel tijd en energie te stoppen in m’n gezin. 

Ik moest sneller dan ik hoopte gaan werken, omdat mijn toen al instabiele echtgenoot geen fulltime baan meer aan kon. Op zich natuurlijk helemaal ok; maar ik moest mijn kinderen vanaf dat moment wel overlaten aan hun onverantwoordelijke vader met zijn oncontroleerbare stemmingswisselingen en agressieve buien.

Dit besef bracht mij in een enorme spagaat waar ik al mijn werkzame jaren in m’n huwelijk onder leed. Het werken zelf zat mij mee: ik had gelukkig wel een eerste graads onderwijsbevoegdheid en een HBO diploma én kon zo in de omroepwereld in Hilversum aan de slag. Ik was al wat uren in het onderwijs werkzaam en bleef dat ook naast mijn baan in H’sum volhouden. Ik had voor het uitkiezen voor hoeveel dagen in de week en kon nog onderhandelen over het salaris ook!

Aan het werk in loondienst in de publieke omroep dus! Een enorme boost voor deze moeder! Want ja, als thuismoeder met 3 kinderen en een psychisch zieker wordende, niet meer echt ‘genoot’ (want hij hield er een compleet dubbelleven op na), was ik toch wel verwaarloosd; m’n besef van eigenwaarde was nogal aan het kelderen en ik was anders verder diep depressief geraakt na de geboorte van mijn derde. Dat stopte toen ik aan het werk ging en al snel binnen de omroepwereld in functie klom, intern opgeleid bleef worden tot ik programmamaker TV en radio was. Ik had plezier in m’n werk en genoot van de collegialiteit, de dagelijkse flow. Van goed resultaat boeken en van het creatieve van mijn werk!

Wel hield ik het op 3 dagen per week werken, want als je kinderen hebt, komen de kinderen allereerst en vooral, vond ik. Dan werkte ik tot 14.30, zorgde dat ik naar huis spurtte vóór de school uitging en ging ’s avonds 19.00 als ze in hun bedjes lagen, verder met werken. Zo breidde ik m’n leven rond zorg voor mijn kinderen en mezelf allereerst rond.  In feite was ik sinds m’n derde geboren was en ik aan het werk ging, ‘alleenstaande moeder, al was ik toen nog niet gescheiden. Dit bleef ik uiteindelijk 20 jaar. Waarvan 7 binnen m'n huwelijk.

Tot een vriendin en ik verliefd op elkaar werden. Ik was op en uitgeput door verwaarloosd worden binnen m’n huwelijk, door alleen maar ‘geven’. Dus werd ik vatbaar voor de aandacht van een ander.

Zou ik blijven of weggaan? Niet zonder m’n kinderen! Die moest ik allereerst veilig houden. Ik knokte wat af met mezelf, maar vond om diverse redenen dat ik niet met deze vriendin een leven kon opbouwen. Allereerst moest ik nu scheiden en een eigen leven met mijn kinderen zien op te bouwen.

Mijn werk bleef de stabiele factor, in alle chaos; samen met mijn familie en vrienden die me hielpen. Veel steun had ik aan m’n geloof in God.

Ik vond vooral, dat ik als ik gescheiden was uit de kast moest komen, daarover kort en goed oprecht zijn en m’n leven daarmee inrichten. Eng en spannend … maar nodig! 

Hóe ik mijn leven in kon richten, was me toen nog een raadsel; die puzzel moest nog gelegd worden. Maar dat ik een eind aan dubbelheden en onoprechtheid wilde, was m’n nummer 1 drive. Ik hield, 43 jaar oud, grote schoonmaak in mijn leven.

Toen ik in de scheiding van mijn niet meer ‘echt’-genoot belandde, bleek dit een moeras van ondoordringbare, smerige, stinkende rottigheid: mijn ex raakte in een persoonlijkheidscrisis zonder weerga, geen huisarts, maatschappelijk werk of politie kreeg vat op hem. De hulpverlening wilde hij niet in. Niemand kon hem bijsturen. 

Ik werd een ruim jaar geconfronteerd met vernielzucht, laster, inbraken, agressiviteit, stalking en niet alleen ik: net zozeer m’n familie of vrienden. Meldingen bij de politie haalden 0,0 uit. Stalken en agressie konden vrijwel eindeloos straffeloos. Nu, 20 jaar later, is de maatschappelijke urgentie van ‘femicide’ eindelijk bespreekbaar en is agressie tegen vrouwen van ‘echt’genoten en exen strafbaar. Toen niet. Sterker nog: de politie zei: ‘mevrouwtje (NB het denigrerende toontje), dit komt er nu eenmaal mee, als u wilt scheiden.’ Ofwel: dit is all-in-the-game: u wilt scheiden, dan zult u lijden! Blaming the victim …

Verhuizen bleek de enige optie om ons te beveiligen en een leven met mijn kinderen op te kunnen bouwen. Het was erg genoeg, dat de rechter toch een bezoekregeling oplegde. 20 jaar later begreep ik bij  een evaluatief bezoek aan de politie, dat in geval van een ouder met zo’n ernstig persoonlijkheidsstoornis (dat vastgesteld was bij de GGZ) een bezoekregeling voor kinderen nu niet meer wordt opgelegd. Helaas in 2006 nog wel. En werd me verteld dat stalken nu strafbaar is. 

Het eind was nog niet in zicht: de hulpverlening die ik in 2005, 2006 voor mijn kinderen inschakelde, was van mening dat ik als verzorgende ouder m’n zoon maar in een RIWIS woonvorm moest laten wonen. Men zette me onder druk, dat hij daar gediagnosticeerd moest worden en anders .. de suggestie hem te verliezen, maakte dat ik mee moest werken van mezelf, tégen m’n gevoel in. Ik vond hem te jong om het huis uit te gaan, nog geen 17. En ik was er niet aan toe om zónder hem te verhuizen uit Apeldoorn. Maar zoals er zoveel moest (vriendin loslaten, scheiden en m’n huwelijk daarmee loslaten, mijn gezin opbreken, het huis verkopen en verhuizen) moest ik ook nog eens m’n zoon uit huis laten gaan. Uiteindelijk kwam de diagnose die de hulpverlener vermoedde .. niet. Maar toen was m'n zoon daar al gewend en had hij er z'n draai, al veel geleerd. Ook nog m'n zoon te moeten overlaten aan hulpverlening was te veel voor mij, deed voor mij de deur dicht. Het waren te veel verliezen die ik moest tellen. Mensen denken bij rouw aan overleden geliefden. Ik ken alleen rouw om levende mensen, die ik gedwongen los moest laten. Maar het verdriet en de rouw is er niet minder om.

Ik heb het psychisch en geestelijk op zich overleefd; het was teveel in te korte tijd. Waar ik niet meer mee kon dealen, was nóg een partner, die me bedroog, beloog en bestal.

Toen ik eenmaal met mijn dochters in Elburg gesettled was en met deze vriendin gebroken had, brak er eindelijk, 3 jaar na de scheiding, een goede tijd aan, van rust en meer stabiliteit, van plezier in m’n queer vrienden- groep en van goede contacten in Elburg, van spelen in een leuke Klezmerband met optredens, zelfs voor toen nog prinses Maxima! De rust deed goed.

Er kwam meer plezier met mijn kinderen tijdens leuke vakanties. Uitjes en vakanties was ik blijven organiseren. Maar je geniet er meer van in de rust. Mijn dochters bouwden eigen vriendschappen in Elburg op, gingen er natuurlijk naar school, sport, clubs en kregen er een stageadres of een weekendbaantje. Uiteindelijk ontmoette ik er m’n vrouw met wie ik nu alweer 15 jaar getrouwd ben.

Zonder pride, als óver benadrukking van mijn besef van eigenwaarde; wél met vrede met mezelf, met ons leven en met veel opgedane wijsheid. Dat mag ook wel na zo’n leven! Ik heb in m’n werk een switch doorgezet, via een tweede master: ik ging de omroepwereld uit en de theologie-wereld (weer) in. Een master in Kampen gaf me de sleutel tot het predikantschap. De zelfde studie had ik al gevolgd in m’n eerste studententijd, in de eighties, toen nog in ‘twee fasenstructuur’: met je kandidaats was je studie afgerond, en kon je je specialiseren in de tweede fase, het doctoraalprogramma. Met deze tweede master maakte ik daarmee m’n eigen cirkel rond. 

Niet alles is queer, anders. 

Niet alles werd ook ‘happily ever after’, want ons huwelijk op de bruiloft met een zegen van God was binnen families omstreden en door amper familie bijgewoond. Maar m’n kinderen en ouders waren erbij en die telden voor mij het meest!

Alle broers en zussen ontbraken; gelukkig was er wel een neef bij. Vrienden en vriendinnen van mijn kinderen deelden wel in de feestvreugde: voor ons een prachtige, kleurrijke zomerdag met de generaties om ons heen: oud en jong! And we in the middle.

Toen we ons 12 ½ jarig huwelijksjubileum vierden, was de meeste familie er gelukkig wel bij en vele oude en nieuwe vrienden! Deze 12 1/2 jaren had familie vooral nodig gehad om ‘te voelen dat wij een steady, monogaam leven leidden’, net als zijzelf.

Deze lange uitweiding over mijn levensloop vind ik nodig om deze reden: vele queers van mijn leeftijd hebben de omweg van de complicatie van een heterohuwelijk met breuk of echtscheiding achter de rug, tellen vele verliezen en rouwen. 

Dáárom is en blijft bespreekbaarheid van queer zijn nodig, zichtbaar maken van de gevolgen van 'jezelf moeten verstoppen'. Vooral jongeren hebben rolmodellen, voorbeelden en bevestiging nodig. Die schadelijke omwegen naar jezelf te mogen zijn, naar een stabiel leven te mogen opbouwen met jezelf, mét een partner en God en schade voor kinderen, exen en jezelf kúnnen door goede coaching, bevestiging en openlijk bespreken verméden worden. 

Het is niet goed dat de mens alleen is’, zegt God in Genesis en geeft Adam een partner. Er zijn niet veel tickets op geluk in een mensenleven .. pak dus je ticket als je er klaar voor bent, mis de boot naar jezelf en de ander én naar God niet! Zo wordt veel narigheid bespaard.

In mijn werk als predikant heb ik geen tegenwerking om m’n queer zijn ondervonden. Natuurlijk zagen niet alle naar een predikant zoekende gemeenten een lesbienne zitten, bleek wel in mijn sollicitatietijd. Dan zocht ik vasthoudend door naar een gemeente, waar men dit totaal geen probleem vond. 

Toen ik bevestigd werd in 2014, vroeg ik een (hetero)vriendin of ze ambassadeur wilde worden voor alle queers die willen weten of ze veilig in een kerk zijn. Dit wilde zij wel en zo ontstond ‘Wijdekerk’! Elke gemeente waar ik predikant werd, werd op de kaart gezet van ‘Wijdekerk’. Het aantal gemeenten dat sowieso op die kaart ‘uit de kast kwam’, groeide explosief in de laatste 12 jaren! Prachtig om mee te maken!

Zo ben ik nu at ease met mezelf na al die jaren. Heeft niemand er problemen meer mee in m’n omgeving? Ja, in onze beide, grote families is er precies, welgeteld één broer die het afkeurt en geen uitnodigingen wenst te ontvangen voor huwelijken, bevestigingen als predikant en  niet erover wenst te spreken. Geen gesprek dus en geen echte ontmoeting. Dat doet nog steeds pijn. Dat zal nooit anders dan pijnlijk blijven. Maar het maakt mij totaal niet van de kook of aan het twijfelen, of ik wel zo mag leven. Ik betreur de queers die in zulke families met afwijzing opgroeien en die zelfs suïcidaal kunnen raken. 

Maar ik? Ik ben die ik ben, zoals ik geschapen ben, heb mezelf in Gods liefde kleurrijk hervonden, mezelf omarmd en ben bij God en mezelf Thuis en thuisgekomen! Ik heb het als een genezing ervaren om in contact met mezelf te kunnen leven onder de zegen en bescherming van God, mijn Oorsprong en Bron.

Dat niet ieder een lesbienne ziet zitten als predikant, zus of misschien zelfs als moeder, is niet mijn probleem. Wel in de zin dat ik lijd onder de gevolgen van geen of minder hartscontact: heel pijnlijk bij tijden … maar niet omdat het míjn probleem is. Ik laat dat nadrukkelijk bij de ander.

Wel heb ik alle begrip, dat het voor mijn kinderen ingewikkeld is om een lesbische moeder te hebben in plaats van een hetero-moeder. Ik ben meer een ‘ouder tussen moeder en vader in'. Natuurlijk, ik heb mijn kinderen gedragen, zelfs 42 weken, gebaard en rond een jaar de borst gegeven, hen verzorgd, hen voorgelezen, opgelet of ze extra hulp nodig hadden bij school en daar zo nodig voor gezorgd, in het sociale leven of hun persoonlijke ontwikkeling en gastvrij naar vriendjes en vriendinnetjes geweest. Ieder mocht altijd mee eten, blijven logeren. Ik heb alles gedaan in m’n vermogen om hen bij te staan en verzorgen in hun opgroeien. 

Maar leren breien en koken kon ik hen niet goed; ik heb hen wel leren kamperen en met hen naar musea, culturele events geweest, hen muziek en films leren waarderen en bespreken. Ik heb het op mijn manier gedaan, als lesbische moeder. I did it my way!

Dat ook de scheiding en coming out, de zoektocht naar een steady en monogaam leven als lesbienne hen beïnvloed en pijnlijk geraakt heeft in hun ontwikkeling, beïnvloed heeft in een stabiel zelfbeeld vormen, is me glashelder en is alhoewel pijnlijk en lastig te aanvaarden, iets dat hopelijk ooit voor hen ook op z’n plek valt, op de plek die het nu eenmaal ooit moet krijgen, willen we allemaal doorgroeien in voluit leven en aanvaarden, wat het leven op ons bord gooit. 

Ik ben aan mezelf tijd en energie kwijt geweest tijdens hun puberteit, die ik achteraf 100 keer liever in mijn eigen puberteit aan mezelf had besteed: zodat ik als moeder van pubers alle ruimte had gehad hen goed bij te staan. 

20 jaar alleenstaande moeder zijn gaat je echter niet in je kouwe kleren zitten. Mijn kinderen zijn in het gedrang geraakt, net als ik. Wij moeten het ermee doen. Jarenlang waren we de ‘vier musketiers’: één voor allen, allen voor één, hecht en open naar elkaar. Nu staan ze voor hun opdracht hun eigen pad, apart van ‘het systeem’ te vinden.


Heb ik zin om naar een botenparade in Amsterdam te gaan? Nee. Geen tijd ook. Wel in op een regenboogvlag met kinderen knutselen en muziek maken! Dát vind ik nu zinvolle tijdsbesteding.

Heb ik zin in naar een safe haven te moeten rennen? Nou neu .. I


Ik hou maar gewoon m’n gemak en vakantie in de Weerribben, lekker genietend van water, mooi weer, kamperen, kanoën, zwemmen, varen en fietsen!

Goed leven en mijn levenstijd zinvol besteden  …



dinsdag 30 september 2025

Als alles duister is ..

Als alles duister is...


Soms is het me duister, hoe ik het allemaal moet doen: het loslaten en het doorakkeren, het verduren en het opladen tegelijk. Alsof de dag je meer kost dan de nacht je kan bijladen. Alsof het leven je meer kost dan het tegenwicht van loslaten van verwachtingen en houvast, zekerheden waar je vanuit ging je kan bieden.

Gisteren stond de sterrenhemel op een gespreksavond centraal: die waar Abraham 's nachts naar moest staan kijken en dan de sterren tellen. Alsof dit mogelijk is ... je voelt je dan zó klein! Alsof je een opdracht krijgt die vér boven je macht gaat. 


Abraham moet zich niet alleen enorm klein gevoeld hebben maar ook heel alleen. Als je je laat verleiden om je toekomst te willen zien in aantallen (klein)kinderen en je weet, dat je ondertussen te oud bent om nog kinderen te krijgen, dan voel je je toch zachtjes gezegd getrickt, misleid.

Toen ik zelf kind was en net verhuisd, lag ik in bed ook naar die sterrenhemel te kijken, in m'n nieuwe slaapkamer. Niet dat ik sterren ging tellen. Maar wel identificeerde ik me met Abraham: zó ver van huis, zo ontworteld en zomaar overnieuw te moeten beginnen, allemaal om een droom te volgen, een stem, een opdracht! Dat gold dan voor Abraham.

Die droom en opdracht had ik niet gehad, geen stem gehoord. Maar ik vermoedde wel, zo wijs was ik als kind al ... dat je soms iets overkomt in je leven waarvan de bedoeling niet vat, maar wel vermoedt, dat er iets nieuws gaat gebeuren, een nieuwe fase aanbreekt en misschien wel een zin van de vooralsnog ontwortelende ervaring duidelijk zal worden. Gaandeweg. 
Dit besef had ik ook na m'n scheiding. De zin van al die narigheid kon niet in het losmaken alleen liggen ; niet in de bevrijding van de oude last of kanonskogel aan m'n been alleen. Er moest een nieuwe horizon gloren, vlak om de hoek. Bijna in zicht maar nog niet helemaal.

Alsof je er bíjna bij kunt. Maar komt die nieuwe fase, dat perspectief ook echt? Of zie je er alleen stukjes en beetjes van? Dat laatste ben ik meer gaan vermoeden. Er blijken alleen brokstukjes, sprankjes te zien van dat nieuwe perspectief, van die toekomst; er worden alleen tipjes van de sluier opgelicht. Helemaal pakken kun je het nooit, het zal nooit 100 % 'voor het grijpen liggen', binnen je bereik komen. 

Is dat wreed, zo'n fata morgana? Of is je droom en dat perspectief van die toekomst een Leitmotiv voor je leven? Dat waardoor je onderweg en in beweging blijft, je droom blijft volgen? In een toekomst blijft geloven? In geluk, in vervulling, in houvast vinden? 
Zoals het ooit naar Santiago de Compostella gaan lopen voor mij al 20 jaar een Leitmotiv is van een ideaal. Een manier van leven: onderweg met deze en gene, ervaringen opdoend, ontdekken en misschien wel nooit aankomen. Of aankomen met de kater: o is dit het nu? En dan krijg ik een oorkonde en is het zomaar allemaal voorbij? In een kitchkathedraal...

Als ik denk aan C.S. Lewis, dan was de zelfgeschapen fantasiewereld samen met z'n broertje zíjn Leitmotiv: als kind kreeg het voor hem vorm in een 'paradijselijke tuin' in een koekblik. Een soort schoenendoos waar een sprookjesland in woonde.

Het wakkerde in hem op den duur een verlangen aan, dat hij later in de Narnia-wereld en de ruimtetrilogie uitwerkte. Iets dan nooit binnen z'n leven volledig 'voor het grijpen was' of binnen zijn bereik kwam. Maar in zijn geloof, zijn zich uitstrekken, zijn onderweg daarnaar toe blijven trekken was dit motiv wel dát wat hem dreef. Met Hebreeën 11: 39, 40: 'al die mensen als Abraham die we om hun geloof bewonderen, hebben het beloofde (perspectief) niet in vervulling zien gaan, omdat God voor ons iets beters had voorzien en God hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken.'

Zelf ervaar ik dat losgemaakt worden en zelf moeten loslaten (van woonplaatsen waaraan ik gehecht ben geweest, mensen die ik gekend heb, relaties die ik gehad heb, van dromen die ik gekoesterd heb) als pijnlijk maar ook als een hulp bij dit focussen op de volmaaktheid, de eindstreep of finish.  Bij de focus op het doel. Het doet je wel leven met een lastige dubbelheid in alles. Me vaker dan me lief is, overheerst de pijn. Soms overheerst de verwondering, het genieten en de fascinatie over de sterrenhemel, het me klein voelen onder die onmetelijk uitgestrekte koepel: het gloren van een nieuwe dag. Die momenten koester ik.





zondag 30 maart 2025

ND levenskunstessay 26 maart 2025 14.16




Ongelijkwaardigheid tussen

de geslachten neemt weer

toe. Daarom moet ik me na

45 jaar uitspreken





Opinie Als christen en lesbienne heb ik in m’n opvoeding de

gelijkwaardigheid van geslachten al meegekregen, schrijft 

Jolande van Baardewijk. Ze maakt zich zorgen over het 

conservatisme dat twee geslachten wel genoeg vindt.

Jolande van Baardewijk predikant in de Protestantse Kerk


ND woensdag 26 maart 2025, 14:16 


Ik was me tot m’n 42e niet bewust van m’n lesbische 

geaardheid. Wel was ik op een zoektocht, waarin ik me 

anders voelde dan zovelen om me heen: van welke planeet 

kwam ik, als ik niet van Mars of Venus kwam? Ik voelde me 

een alien: té anders in zoveel opzichten.

Het was een te grote kluwen om te ontwarren; een stads-

meisje dat op het platteland opgroeide, met een intellectuele 

vader en zelf ook nieuwsgierig, gek op studeren én niet 

geïnteresseerd in ‘meisjes’-bezigheden. Wat ik thuis mee

kreeg, was: of je nu jongen of meisje bent, je doet je 

huiswerk en klusjes in huis. 

De een niet meer dan de ander, de ander niet méér dan 

jij. Een jongen wast ook af, een meisje mag ook studeren; 

ieder is gelijkwaardig.

Ik merk in 2025, door onze populistische regering en door 

de alwéér aangetreden Trump, dat in toenemende mate 

ongelijkwaardigheid van de genders terugkeert. Dit baart 

me grote zorgen.


De wereld is de kerken in het goede voorgegaan zoals in 

het opkomen voor de gelijkwaardigheid.


Ik werd met ongelijkwaardigheid voor het eerst echt 

geconfronteerd tijdens mijn studie theologie, in de jaren 

tachtig. Ik groeide op in de Nederlands Gereformeerde 

Kerken (NGK) en mocht weliswaar studeren aan de 

Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA), maar in mijn 

kerk was er geen werkplek voor mij. Ik had van kerk-

genootschap kunnen veranderen, maar ik stond toen te 

weinig open voor het werk in de kerk zoals hij toen was. 

Ik spreek bewust van ‘hij’omdat in mijn beleving ‘kerk’ 

een mannenbolwerk was. En ik vond mezelf ook te jong 

en onervaren. Ik besloot het onderwijs in te gaan.


Ik ben overigens wel een tijdje pastoraal werker geweest 

in NGK Apeldoorn, in de overbruggingstijd tussen twee 

predikanten in. Dan gaf ik met opdracht van de kerken-

raad catechisatie en bijbel-cursussen. Maar het mocht 

geen ‘kerkelijk werker’ heten. Een paar ouders haalden 

hun kinderen van catechisatie, want onderwijs vanuit de 

kerk mocht niet door vrouwen gegeven worden (en ze 

haalden daarbij Paulus aan).


Na twaalf jaar rolde ik in het tv-vak en werd programma-

maker. Ik die nooit genoeg het activisme opgezocht had, 

nooit de barricaden op was gegaan voor gelijkwaardigheid 

van beide genders in de kerk, kwam via mijn vak als tv- en 

radio-programmamaker nu in de positie om aandacht voor 

misstanden te vragen en aan de kaak te stellen. 

Dit waren vooral misstanden rond de vaste combinatie 

van man plus macht. Het bracht vaak machtsmisbruik met 

zich mee, uitmondend in financiële of seksuele uitbuiting.



We vonden, als programmamakers, dat er veel te 

ontmaskeren was rond aangerichte schade. We hoopten 

dat met eerlijkheid deze schade opgeruimd kon worden. 

Vanaf de jaren negentig kwamen er meldpunten, ook in 

kerken. En vele therapeuten (ook in de christelijke wereld) 

gingen aan de slag om beschadigde mensen te begeleiden.

Tóch dreigt nu, dertig jaar later, het tij in de samenleving 

weer te keren. In populistisch geleide landen lijkt het 

cultureel conservatisme terug te keren. 

Dat twee genders wel genoeg is en we geen derde, non-

binaire zouden willen (alsof er iets te kiezen valt). Dat lhbt+

er zijn door geboorte het daglicht niet kan verdragen en dat 

in lesprogramma’s niet hoeft te worden benoemd, zodat het 

herkend wordt en mensen geïnformeerd zijn. 

Sterker nog: het gaat in de VS al de kant op dat deze 

lesprogramma’s verboden worden.

Inmiddels ben ik meer dan tien jaar gemeente- en ‘pioniers-

predikant’. Ik geloof in pionieren sinds het Protestantse visie-

stuk uit 2008 ‘Waar een Woord is, is een weg’. Met dit 

rapport durfde ik het in 2010 aan om me alsnog in te 

schrijven voor een tweede master, Praktische theologie.

Zo sloeg ik alsnog de weg naar predikantschap in. Na 

deze keus ontmoette ik mijn vrouw, waarmee ik inmiddels 

bijna veertien jaar getrouwd ben. Binnen mijn tijd steeg het 

aantal vrouwelijke predikanten van een op vier naar een op 

drie van het totaal aantal predikanten en misschien is het 

alweer hoger. Het aantal vrouwelijke ambtsdragers zoals 

ouderlingen en diakenen zal een veelvoud daarvan zijn.


Heb ik anderen in de kerk de kastanjes voor mij uit het 

vuur laten halen?


De kerk als mancave is alleen nog aan de reformatorische 

zijde te bespeuren. De discussie in orthodoxe kerken (zoals 

de NGK) over de homo in het ambt, laat zien dat het 

cultureel conservatisme van de kerk als mancave ook in de 

NGK op zijn retour is. De Christelijke Gereformeerde Kerken 

staan helaas op splijten vanwege ‘de vrouw in het ambt’. 

Een situatie die overigens niet anders was toen ik in de 

jaren tachtig in Apeldoorn aan de TUA studeerde.


45 jaar ontwikkeling overziend in de kerken die zich van 

cultureel conservatief (het Amish-reservaat in de 

Nederlandse samenleving) ontwikkelden naar cultureel 

meebewegen, resten mij confronterende vragen: heb ik 

anderen in de kerk de kastanjes voor mij uit het vuur laten 

halen? Of was het genoeg, dat ik als programmamaker 

voor de EO mijn bijdrage aan de ontmaskering van de 

giftige combinatie van man én macht heb geleverd? 

Is het na 45 studie- en werkjaren zover, dat ik nu toch 

de barricades op moet voor gelijkwaardigheid van de 

genders?

Het heeft me altijd tegengestaan hoe discussies de kerk 

gijzelden. Discussies over wie er wel of niet aan het 

avondmaal of in het ambt mochten of een zegen mogen 

ontvangen. Alsof angst regeert en ‘we voorzichtig 

moeten zijn, niet wereldgelijkvormig’.


Jezus at met iedereen, ging niemand uit de weg, ook niet 

uit angst voor ‘besmetting’.


Juist de wereld is de kerken in goede, geschapen 

instellingen voorgegaan zoals in het opkomen voor de gelijk-waardigheid van de geslachten. Feminisme en homo 

activisme waren niet nodig geweest, als kerken zich niet 

in reservaten haaks op deze wereld hadden verschanst. 

Jezus at met iedereen, ging niemand uit de weg, ook niet 

uit angst voor ‘besmetting’, die voor Hem wél reëel was. 

De angst voor melaatsheid is tien keer zo reëel als die 

voor homoseksualiteit.

Het is krankjorum dat we tieners zouden moeten weghouden 

van voorlichting en informatie over lhbt+-zijn, omdat deze 

een ‘aanzuigende werking’ zou hebben. 

Dat is net zo krankjorum als de angst voor openlijk spreken 

over een ronde aarde: stel dat mensen van hun geloof in 

een platte aarde zouden vallen.

Lhbt+-zijn is geen mening of iets waarover je ‘van 

gedachten kunt veranderen’ of ‘van gedachten kunt wisselen’; 

het is geen ziekte, niets besmettelijks maar: aangeboren,

iets wat slechts een minieme minderheid van de mensheid 

betreft.



Alles wat schimmelt en rot in het donker moet in het licht 

gezet worden om te kunnen genezen en groeien. Daarom 

lever ik, na 45 jaar meelopen in de theologische wereld, 

alsnog nu mijn stem aan wie deze stem nodig hebben in 

kerken en deze wereld. Degene die zich laat horen, 

stelt zich kwetsbaar op, is mijn ervaring.

Je stem laten horen en je nek uitsteken, maakt ook 

duidelijk dat alleen in Gods licht en liefde, in Gods zuurstof 

te leven valt. Zoals ik op m’n ‘oude dag’ predikant kon en 

mocht worden en dit tot m’n dood mag blijven: waar ik kan 

en waar ik geroepen word. In Gods licht, onder Gods 

zegen.


                                    Pridemaand, de gaypride en ik Ben je ooit op de botenparade in A’dam geweest? Ik ben maar één keer tijde...